UITBREIDINGEN OM AMSTERDAM. Het is der Redactie een groot genoegen, in dit blad, de belangrijke stedenbouwkundige studie van haar medelid, den heer Boterenbrood te mö gen publiceeren. Wij weten het allen, de uitbrei- dingen van Amsterdam geschieden wel 'n weinig op de wijze van een eenigszins slonsige huis- vrouw, die de broekjes en jurkjes van haar kin- deren verbetert en verruimt met toevallig in haar naaimand aanwezige lapjes. Wij weten het allen en bezien het met opgetrokken neuzen, doch de heer Boterenbrood is een der weinigen, die de omvangrijke arbeid er voor over heeft gehad om de vöorstudien en het plan te maken, waarop nu, en dat is ongeveer het allermeeste wat hij er van voorziet, overheidsambtenaren en particu- liere stedenbouwkundigen hunne aanmerkingen kunnen loslaten. Wij vermelden zeer gaarne, dat de Redactie van het Bouwkundig Weekblad onmiddellijk be- reid werd gevonden tezamen met Architectura de publicatie mogelijk te maken en Verheugen ons hartelijk in deze collegiale en hoopvolle samenwerking. Onder bovenstaanden titel hield de heer Bos, Directeur P. W. van Amsterdam, in Februari van dit jaar een lezing voor de leden van het Genoot- schap. De meeste toehoorders zullen een aan- gename herinnering aan dezen avond behouden hebben. Eerst werd het prachtige, goed opge- zette begin van de stad in de eerste eeuwen behandeld, daarna het gesukkel van lateren tijd, de in den stedenbouw zoo beruchte ,,niemands fouten", aan kritiek onderworpen; de uitleg van de Jordaan in de achttiende eeuw, en de niet gelukkig geplaatste stations van de negen- tiende eeuw, werden gehekeld. Ten zeerste wa ren de toehoorders er dan ook op gespitst te vernemen, hoe met die opgedane ervaring van eeuwen gewoekerd zou worden voor de „uitbrei- dingen om Amsterdam", in de naaste toekomst. Eenigszins teleurstellend was het dan ook, dat daar zoo weinig over medegedeeld werd, alleen de havenwerken werden min of meer uit- voerig behandeld. Toen ik in een schrijven den heer Bos nogmaals namens het Genootschap dank zei, meende ik daarin dan ook op te mö gen merken, dat zijn voordracht tot interessante polemieken in ..Architectura" aanleiding zou geven, want, hoe weinig er ook over toekomstige uitbreidingen van de stad gezegd werd, aan de wijze waarop het ringkanaal Noord en de spoor- wegbrug dwars door het IJ geprojecteerd wa ren, zie architectura No. 11, zat principieel zoo- veel verwerpelijks, dat er m.i. alle aanleiding bestond voor polemieken. Dat die töch niet kwa- men, wekte te meer verwondering, daar het laatste gedeelte van de lezing van den heer Bos min of meer stond in het teeken van: den laat- sten tijd is er, vooral aan het IJ, zooveel ver- knoeid, dat er toch niets meer te redden is; met als toekomstprogram: waarom zullen wij ons zorgen maken, laten wij hopen, dat zij, die na ons komen, zieh er zoo goed mogelijk door- heen zullen weten te slaan. Ik meen het in dezen oneens te moeten zijn met den heer Bos. Een tiende van de inwoners van Nederland woont in Amsterdam, het gaat dus zeker niet aan hier het ,,laissez faire, lais- sez passer" toe te passen, te meer niet, daar in andere landen nog wel een veel sterker samen- trekking van de bevolking in de hoofdsteden heeft plaats gehad, en dus een groote concen- tratie in Amsterdam in elk geval niet tot de onmogelijkheden behoort. De heer Bos negeert met zijn opvattingen blijkbaar de mogelijkhe- den van een moderne stad en zou het een zeer gelukkigen toestand achten, wanneer met een ringkanaal-Noord een toestand geschapen zou worden, die een middeleeuwsche stad zou kun nen benaderen. Op elegante wijze werden oor- zaak en gevolg tegenover elkaar geplaatst, door vast te stellen, dat een ringkanaal toch een ver- dediging in economischen zin kan zijn, waardoor zoo'n kanaal dezelfde waarde voor de stad krijgt als de vestingwallen van vroeger, die be- schermden tegen vijandelijke invallen en plun derende benden. Het dubbele voordeel zou dan verkregen worden, dat het zoo tot een middel- eeuwsch geval omgewerkt stadsdeel, rüstig af te maken zou zijn binnen de stadswallen (lees ring kanaal) zonder dat men zieh veel zorgen be- hoefde te maken over wat er na een jaar of vijf- tig buiten die vesting gemaakt zou moeten wor den. Ongetwijfeld een uitgangspunt, dat verleide- lijk is door .zijn eenvoud. Als het maar waar was, en als de analogie hier maar niet erg mank ging en als een moderne stad, die over eenige tientallen jaren een millioen inwoners zal heb ben, maar net zoo behandeld zou kunnen wor den als een middeleeuwsche stad. die er nooit meer dan 300,000 had. (Parijs in 1500 pl.m. 250.000 inw.), Intusschen is het volkomen begrijpelijk, dat, waar er in het geheel geen systeem is, er zoo af en toe eens naar de boekenplank gegrepen wordt. Geen enkele andere verklaring is er ten- minste voor te bedenken, waarom het doode middeleeuwsch idee hier zoo uitgeput wordt. Het is toch niets anders dan het zoeken naar een steun in iets, wat dan ook, omdat de steun der over- tuiging ontbreekt, een overtuiging, die alleen juist kan zijn met een vast plan als basis. Dit vaste plan ontbreekt hier, heeft eigenlijk al jaren lang ontbroken, wat zieh duchtig gewroken heeft en zieh nog duchtiger wreken zal; want Amster dam is bezig van stad tot grootstad uit te groeien tot wereldstad als men wil, en juist in zoo'n tijd is dan wel het ergste wat een stad kan overko- men, het ontbreken van een vast en wel door- dacht uitbreidingsplan. 148

Architectura nl | 1923 | | page 2