Wij blijven wel welvaren, zo wordt ons voorspeld \l LM i I Reizen als een vorst W In Indië [f reist U I I als een vorstï 1 De komende tien jaar zijn we nog wel onder dak, onder een welvaartsdak. Dat heeft de vereniging Twentieth Century Fund voor ons uitgerekend. In 1975 zullen er in Europa ook meer mensen wonen dan in de VS en de Sowjet-Unie samen. De meeste Europese werknemers zullen een werkweek hebben van 43 of 44 uur. Wie iets te verkopen heeft mag zich verkneukelen over dit heerlijke beeld. Als het tenminste geen lucht spiegeling zal blijken te zijn. Want het doen van economische voorspellingen is welhaast even riskant als het voorspellen van het weer op de lange termijn. In Het Parool is dan ook op de betrekkelijkheid van dit rap port gewezen. „Het voorspellend vermogen van de sociale wetenschappen, die een zo grillig wezen als de mens tot object heb ben, is te enenmale ontoereikend", com mentarieert het blad. Het wijst op nog een onderdeel van het rapport dat opmerkingen uitlokt. De ver houding tussen de uitgaven in de publieke en de particuliere sector zou onveranderd moeten blijven. Nu heeft prof. Galbraith erop gewezen dat de eerstgenoemde sector om ruimere voorzieningen vraagt dan tot dusver gebruikelijk was. Het Parool is daarom wel benieuwd hoe het nu zit, want prof. Galbraith maakt deel uit van het bestuur van het Twentieth Century Fund. Wat Nederland betreft moet men boven dien inderdaad wel hopen dat de publieke uitgaven meer dan evenredig met het na tionale inkomen zullen toenemen. Dat zal dus gaan ten koste van de toeneming in de particuliere sector, maar het is er an derzijds toch ook een voorwaarde voor dat deze laatste überhaupt kan toene men. Onlangs heeft de ANWB er weer eens op gewezen dat het Nederlandse wegennet om voorzieningen vraagt die niet gering zijn. De Nederlandse Spoorwegen hebben, zo werd vorige week bekend, wel een winstje gemaakt, maar dat is veel te klein om de noodzakelijke uitbreidings- en diepte-investeringen door middel van winst inhouding te financieren. Ook is het bedrijf daardoor erg kwetsbaar voor fluctuaties in de omvang van het vervoer en voor stij gingen van het loon- en prijspeil. Dat zijn twee belangrijke punten in het Nederlandse communicatiesysteem. Daarbij kan een derde gevoegd worden: het tele foonnet, waarover we al eerder sombere geluiden lieten horen. Drie pijlers van onze communicatie zonder welke de Nederlandse economie het niet kan stellen. Hiervoor zal meer geld uitgetrokken moeten worden, want te kleine wegen, verouderde spoor wegen en te beperkt telefoonverkeer kun nen de economie wurgen. Het huidige tempo waarin de voorzieningen worden getroffen is te laag. De te smalle straten in de grote steden, de spreekwoordelijke verkeersknopen bij Oudenrijn, de ponten bij Amsterdam, vuile treinstellen, te weinig telefoonaansluitingen en lange wachttijden, het intensieve lucht verkeer boven ons land dat geregeld moet worden, het zijn allemaal onderwerpen die in de pers aan beschouwingen en kritieken zijn onderworpen. De Nederlander en voor al het Nederlandse bedrijfsleven zal eraan moeten wennen dat voor dit zo noodzake lijke communicatienet moet worden betaald. Meer dan tot dusver zullen deze problemen boven aan de lijst van prioriteiten geplaatst moeten worden. Bij alle voorspellingen omtrent onze wel vaart mag dit element nooit vergeten wor den. Dat er daarom ook iets veranderd zal moeten worden aan de verhouding van de activiteiten (en dus uitgaven) in de publieke en de particuliere sfeer, lijkt onvermijdelijk. Een dichtbevolkt en intensief gebruikt land als het onze zal daarop nog sterker moeten letten dan de andere. Daarom heeft men bij de kennisneming van het rapport van het Twentieth Century Fund, althans van datgene dat via de pers daarvan tot ons is gekomen, sterk de nei ging de zaken vooral niet zo te veralge menen. LB aarbij is het verrassend vast te >1^*' stellen, hoe weinig de toeristische nijverheid tot op heden beroep heeft ge daan op de reclame. Dit komt omdat het aanbod de steeds toenemende vraag bijna (of helemaal niet zelfs) kan bijhouden. Het heeft dus geen zin nog meer mensen ertoe aan te zetten op vakantie te gaan. Maar het heeft wel zin hen er toe aan te zetten hun vakanties op ongewone periodes te nemen en in ongewone vakantieoorden door te brengen." Aan die opmerking in de Cahiers van Dechy-Publicité te Brussel moesten we denken, toen we een advertentie tegen kwamen waarin we werden uitgenodigd naar Indië (of is het bij ons eigenlijk India?) te komen. De advertentie was vorige week geplaatst en dat deed ons denken aan een andere opmerking in genoemde Cahiers: „Wanneer moet men aan zijn reclame voor 1965 denken? Nu. En wel doodeenvoudig, omdat het nu overal volop vakantie is, omdat het nu overal een periode van kalmte is. Een thans opgevatte en voor bereide campagne zal veel rijper zijn dan een te laat aangepakte campagne, omdat men er langer en rustiger heeft kunnen over nadenken." Die Indiase campagne zal dus wel voor najaar, winter en komend voorjaar bestemd zijn, leek ons. Dat we naar dat verre land worden uitgenodigd toont wel aan dat we voor vol worden aangezien, al is het feit dat we moeten schrijven naar het Indisches Verkehrsbüro in München er een bewijs van dat we nog niet in staat zijn een kan toor in Nederland een lonend fundament te geven. r* Wordt er inderdaad weinig toeristische propaganda gemaakt? Ja, te weinig wan neer men bedenkt dat met het groeien van de inkomens vooral de lust tot reizen stijgt in de schaal van de begeerten. Al eerder wezen we erop, dat er nog een flinke markt moet liggen, omdat omstreeks de helft van de Nederlanders tijdens de vakantie niet buiten de eigen woonplaats komt. Heeft het te maken met een te gering aanbod, zoals de Cahiers menen? Dat kan toch niet reëel zijn. Het toerisme is een industrie en wie daarin geld wil verdienen zal, als hij al niet kan beschikken over een stukje zuidelijk droomstrand of andere attractie, iets moeten investeren. Dat dit kan laat ons een Frans voorbeeld zien. Tussen Montpellier en Perpignan wordt 135 kilometer strand aangelegd waar over tien jaar 800.000 toeristen kunnen recreëren. Ook Nederland vergroot het aanbod. Delta- en IJsselmeerwerken bijvoorbeeld zullen ons und uns auch, zegt men aan de Ruhr- nieuw recreatiegebied schenken. Het is wel dienstig als men zou kunnen propageren deze en andere Nederlandse recreatiegebieden wat gespreid te gebrui ken. Voor de aanhangers van het patat- toerisme —uitdrukking van Passepartout in de Volkskrant— blijft altijd plaats (een klein stukje strand rond de afgangen van de boulevards) en tijd (enkele weken in juli en augustus) over. Wie het anders wil moet dan gewezen worden op de mogelijkheden die er zijn in mei en september of in de winter. In eigen land of (ver) daarbuiten. India bijvoorbeeld. We kunnen er als een vorst reizen, al geloven we niet dat we 842

Ariadne nl | 1964 | | page 2