Bart Bos over toekomst kleurenwetenschap: Kleur meer in dienst van verkoop dan van esthetiek Grote vlucht Verkeer 131 In een fabriek van fotografische platen te Lyon kwam in een bepaalde zaal het daglicht naar binnen via rui ten van rood glas. Het effect van dit roodgekleurde licht op de daar wer kende arbeiders was merkwaardig: na korte tijd werden ze druk, ze begon nen te zingen en te gesticuleren en tenslotte „(ils) inquiétaient les fem- mes". Nadat deze rode ruiten waren vervangen door groene werd de ar beidssfeer geheel anders: de arbeiders waren kalm, ze spraken minder en waren bij het verlaten van het bedrijf na het volbrengen van hun taak ook minder vermoeid. Dit praktijkgeval beschreef de Fransman Raphael Du bois, in 1914, in zijn boek „La vie et la lumière". Daarmee is het begin gemarkeerd van het werken met kleur, het bewust inzetten van bepaalde kleu ren om een gewenst resultaat te ver krijgen. Het is aan geen twijfel onderhevig dat de kleurenwetenschap in zijn korte bestaan een grote vlucht heeft geno men. En met het woord „kleuren wetenschap" bedoel ik in dit overzicht dan meer speciaal de menselijke be kwaamheid met de kleur te werken op een wijze die hem voordeel brengt, op welk terrein dit dan ook mag zijn. Via vaak vreemde en onverwachte praktijkbelevenissen werd men, nu twee generaties terug, geconfronteerd met die onbekende en dikwijls raad selachtige invloed die de kleur op de mens bleek uit te oefenen. In de jaren twintig kunnen wij eigenlijk eerst spre ken van weloverwogen functionele kleurtoepassing. Toen uitten de chirur gen de klacht dat de glans en de schit tering die in hun geheel witte operatie kamers optraden ondraaglijk waren. Het verlichtingsniveau in deze ruim ten was zeer hoog. Wanneer deze chi rurgen tijdens operaties even van hun taak opkeken en op de hen omringen de wanden een rustpunt voor hun ver moeide ogen zochten ondervonden zij op de onbarmhartig witte wanden uiterst hinderlijke zgn. nabeeld-ver schijnselen. Juist deze gladde witte vlakken bleken ideale projectiescher men voor de groene nabeelden die het menselijke oog waarneemt na het in gespannen turen op rode weefsels. Chirurgen, oogspecialisten, verlich tingsexperts en kleurendeskundigen hebben toen studies verricht die heb ben geleid tot het vervangen van het wit door zachte tinten groen op de wanden van de operatiekamers. In deze kleur „verdrinken" de nabeelden: ze zijn niet hinderlijk meer en de chirurg vindt op de wand een visueel rustpunt. Nog later bleek het wenselijk ook de witte lakens, enz., in de opera tieruimte te vervangen door groene. Ook in de sfeer van het onderwijs werden onderzoekingen opgezet naar de juiste kleuren voor wanden, vloeren en plafonds. De strijd rondom het groene schoolbord heeft een zekere bekendheid gekregen. De industrie volgde: in farmaceutische bedrijven ondervond men moeilijkheden bij het vullen van fijne glazen ampullen. Ook hier werden door het toepassen van een juiste verlichting en een berede neerde kleurgeving op achtergrond en omgeving de klachten opgeheven. En zo heeft in deze laatste tien tallen jaren de kleur zich ontwikkeld tot een gewaardeerd hulpmiddel in het menselijke bedrijf, een hulpmiddel dat meestal niets extra kost (geschil derd moet er vrijwel zeker immers tóch!) en dat op de meest uiteenlo pende gebieden zijn taak voor ons kan verrichten. En het leek mij inte ressant eens na te gaan welke verdere ontwikkelingen er in het werken met de kleur op verschillende terreinen te verwachten zijn. Een van de meest spectaculaire toe passingen van de kleur ligt uiteraard in de buitenarchitectuur. Ik geloof dat in de toekomst de kleur in ruime mate zal worden toegepast als stede bouwkundig hulpmiddel bij het vorm geven van een veranderde samenle ving. Vroeger was het probleem: welke kleur moet het houtwerk van dit huis hebben; in de toekomst worden gehele steden, al of niet reeds voordat ze zijn gebouwd, in hun geheel in kleur gezet. Zeker wanneer wij het oog richten op toekomstige mogelijke woonvormen als woontorens, ringste- den en hangende steden is een uiterst weloverwogen gebruik van de kleur een volstrekte noodzaak. Het is on denkbaar dat in een radicaal gewij zigde woonvorm de kleur slechts, zoals voorheen lange tijd het geval is ge weest, als aangenaam en veraangena mend sluitstuk zou compareren. In het verkeer, dat in de nabije toe komst van een intensiteit zal zijn die wij ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen (en dat gebrek aan voor stellingsvermogen blijkt wel uit het feit dat wij volstrekt onvoldoende maatregelen nemen om die toekom stige verkeersstroom te kunnen ver werken), speelt de kleur reeds een belangrijke rol. Zowel op het gebied van de wegmarkering als van de ver- keersbeveiliging en de communicatie in het verkeer hebben wij de kleur leren gebruiken, terwijl daarnaast in teressante vondsten zijn gedaan inzake „veilige" en „onveilige" kleuren voor voertuigen. Hiermee wil ik zeggen dat bepaalde carrosseriekleuren de kans op passieve aanrijdingen (waarbij dus

Ariadne nl | 1966 | | page 19