Concentratie van kranten behoeft niet zonder meer te leiden tot geringere meningsverscheidenheid Je concentratie der massamedia en haar gevolgen (II) door drs. P. L. C. Nelissen Springer-concern Ariadne 21-1-71 81 Het centrale thema uit het boek Die Konzentration der Massenme- dien" van de hoogleraren ASilber- lann en E. Zahn vormt de concen- .atie op mediagebied en de gevolgen .aarvan. Via een uitgebreide be schrijving van de stand van de con- entratie bij verschillende onderdelen van het media-assortiment (zie' eerste artikel) en via een inhoudsanalyse van de publikaties in kranten over het verschijnsel der concentratie, to nen de auteurs dat de concentratie op het gebied der dagbladen lang niet het verst is voortgeschreden, maar dat deze wel met de meeste openbare discussie gepaard gaat. De concentratie in de dagbladsector zou immers noodzakelijkerwijs gepaard gaan met een verschraling, een ver minderde diversiteit in aanbod, het geen gemakkelijk leidt tot menings monopolie en meningsnivellering. Op dit punt wil ik een opmerking uit het eerste artikel over de durf van de auteurs herhalen. Het getuigt im mers van moed, om met behulp van sociaal-wetenschappelijk empirisch onderzoek (met zijn nog weinig ge perfectioneerde en uitgebalanceerde methoden en technieken) deze toch uiterst moeilijke en gevoelige materie aan te durven. De auteurs zijn daar bij van het m.i. juiste uitgangspunt vertrokken, dat het verantwoorder is om meningen te baseren op resulta ten van (methodisch zwakke en be perkte) onderzoeken dan alleen te blijven steken binnen de ideologische discussie, zonder poging tot objecti vering van de daarbij gehanteerde uitgangspunten. Om meer helderheid te krijgen over de invloed van de persconcen tratie op de verscheidenheid en de rneningsdiversiteit, hebben Silber- rnann en Zahn een drietal analyses uitgevoerd, waarbij steeds gewerkt werd met de methode der inhouds analyse (een objectieve, systematische en kwantificerende methode ter be schrijving van de inhoud van com municatieboodschappen). De eerste handelt over de beteke- nis van bepaalde dagbladen (kwali- teits- of prestigebladen) voor de me ningsvorming. Niet zozeer de kwanti tatieve vermindering gekoppeld aan grote oplage en grote verspreiding zou een verlies in verscheidenheid tot gevolg hebben, maar een concentratie van het persprestige in één concern. Zouden beide elementen met elkaar verbonden zijn, zo stellen de auteurs, dan zou dat in West-Duitsland waar neembaar moeten zijn t.a.v. het Springerconcern en dan zou daar ook vastgesteld moeten kunnen worden, dat de Springer-bladen in andere me dia veel geciteerd worden. Het geci teerd worden wijst volgens de schrij vers immers op een bepaalde beteke nis (autoriteit) die andere media toe kennen aan de mening van dat dag blad. Silbermann en Zahn zijn daarom nagegaan in hoeverre de Springer bladen meer of minder geciteerd worden dan andere Duitse en buiten landse dag- en weekbladen. Op basis van het gecreëerde cijfermateriaal ko men zij tot de conclusie, dat hoge oplage en grote verspreiding niet al leen als indicatie voor prestige mogen worden beschouwd. De mate waarin de bladen uit het Springer-concern namelijk in de pers worden geciteerd, is aanzienlijk geringer dan men op basis van oplagecijfers zou mogen verwachten. Hoewel op radio en tv deze uitkomsten wel groter waren, menen de schrijvers dat die verklaard moeten worden uit de anti-Sprin- ger-demonstraties, die ten tijde van het onderzoek werden gehouden. Aangezien het probleem van de verscheidenheid uiteraard niet alleen te maken heeft met de relatie pers prestige en oplagecijfers, zijn Silber mann en Zahn in hun studie verder gegaan. Zij hebben zich afgevraagd of de veronderstelling juist is, dat dagbladen die in één concern zitten eenzelfde mening verkondigen t.a.v. belangrijke zaken, een mening die bovendien gedicteerd zou worden door de eigenaar van het concern. Om dit na te gaan, zijn twee analyses uitgevoerd die betrekking hadden op de behandeling van een viertal con crete gebeurtenissen. In de eerste plaats zijn de com mentaren en hoofdartikelen van een aantal dagbladen uit het Springer concern onderling vergeleken. In de tweede plaats de commentaren en hoofdartikelen van de bladen uit een ander concern, de Süddeutsche Ver- lagsgruppe. De laatste resultaten wer den tenslotte vergeleken met de eer ste. De benodigde vergelijkende in houdsanalyses werden uitgevoerd in de periode 1 december 1966 tot 1 maart 1967 en hadden betrekking op vier gebeurtenissen: het verdrag tegen de verspreiding van atoomwapens vanuit het stand punt van de Bundesrepublik Deutschland, de activiteit op het gebied der bui tenlandse politiek van de regering t.o.v. de Oostbloklanden (behalve de USSR), de voorstellen van de Duitse libe rale partij (FDP) inzake de „Deutschlandpolitik", de wijzigingen in de juridische on dernemingsvorm van het Krupp-con- cerur. Het is jammer voor degenen die sterk geïnteresseerd zijn in de func tionaliteit van de methode der in houdsanalyse, dat zij via dit boek weinig informatie verkrijgen omtrent de daarbij gehanteerde werkwijze. Temeer daar juist deze werkwijze en de daarbinnen passende categorie omschrijving voor een verantwoorde

Ariadne nl | 1971 | | page 17