Resultaten Hypothese Grafische ondernemer moet meer aan marketing doen Individueel gericht beleid 82 Ariadne 21-1-71 beoordeling van een inhoudsanalyse zo essentieel is. Dit heeft tevens tot gevolg, dat we de conclusies van de auteurs moeten aannemen zonder een verificatie daarop uit te kunnen voe ren. Juist voor de onderhavige, boeiende problematiek en de kwets bare onderzoektechniek der inhouds analyse zou een dergelijke hernieuw de verificatie, tevens rekening hou dend met de stellingname der auteurs t.a.v. vele problemen inzake de con centratie, uiterst nuttig zijn geweest. De resultaten uit de inhoudsanaly ses laten zich onder een aantal pun ten samenvatten: Een verantwoorde vergelijking van het absolute aantal berichten over de verschillende gebeurtenissen tussen de in de analyse betrokken bladen valt niet te maken. De onderlinge ver schillen in grootte van een concern doen deze vergelijking mank gaan. Hoewel deze uitspraak op zichzelf juist is, is het te betreuren dat men niet heeft getracht - bijv. via cor rectiefactoren het absolute aantal artikelen in de beschouwing te be trekken. Het opnemen van een derge lijk gecorrigeerd absoluut aantal moet m.i. als essentieel worden ge zien, omdat ook en misschien juist vooral - in de selectie van nieuws items de verscheidenheid tot uitdruk king komt. Tussen de dagbladen van het Springer-concern zijn verschillende houdingen waarneembaar t.a.v. de vier gebeurtenissen. Deze verschillen zijn voor wat betreft de verspreiding van atoomwapens, de oostblokpoli- tiek en de FDP-houding slechts be perkt. Ze blijven aan dezelfde zijde van de schaal (positief of negatief). Er zijn t.a.v. de gebeurtenissen bij Krupp evenwel duidelijk tegengestel de opvattingen tussen de dagbladen waarneembaar. De dagbladen uit de Süddeutsche Verlagsgruppe namen een vergaand uniform standpunt in t.a.v. drie van de vier gebeurtenissen. Alleen t.a.v. de oostblokpolitiek bestond een rela tief afwijkende beoordeling. Tussen de dagbladen uit het ene en het andere concern zijn verschil lende opinies te zien t.a.v. twee ge beurtenissen. Van belang is ook het feit dat bin nen het organisatorisch minder ge centraliseerde Süddeutsche Verlag de dagbladen onderling sterker diver geerden dan binnen het Springer-con cern. Op basis van deze resultaten ko men de auteurs tenslotte tot de vol gende, algemenere conclusies: De concentratie en de meningsuni- formiteit aan de kant van de zender staan in een onderlinge relatie. De bewering dat van een concen tratie een directe invloed uitgaat op de dagbladen als communicatieme dium, kan slechts onder voorwaarden worden geaccepteerd. Uitgaan van de veronderstelling van een directe en proportionele sa menhang tussen een potentiële uni forme meningsuiting van de kant van de dagbladen en de meningsvorming der lezers, betekent een volledige ont kenning van alle inzichten, verkregen uit de communicatie-onderzoeken en de sociologische onderzoeken m.b.t. de persoonlijke meningsvorming. Interessant is ook de poging van Silbermann en Zahn om de relatie tussen het verschijnsel der concentra tie en verscheidenheid in een meer wiskundig geformuleerde hypothese neer te leggen: Unternehmungskon- zentration muss generell nicht zur Meinungskonformitat auf Seiten des Informationsangebotes führen. Der Grad der Meinungsuniformitat wachst jedoch proportional mit dem Grad der Unternehmenskonzentra- tion. Dabei erhebt sich jedoch die Frage, ob eventuell Verlaufskurven unternehmerischer sowie meinungs- mastiger Konzentration auf Grund der jeweiligen Komplexitat ihrer Struktur absolut parallel verlaufen mussen. Tot slot van dit tweede artikel lijkt het nuttig op te merken, dat Silber mann en Zahn als empirische weten schapsbeoefenaren in hun benadering van de consequenties van de concen tratie erg veel nadruk leggen op de feitelijkheid. Zo stellen zij de vraag of het nu feitelijk waar is, dat con centratie leidt tot verlies in verschei denheid en toename van uniformiteit in de berichtgeving vanwege invloed van de eigenaar. Een dergelijke vraagstelling, hoe wel op zichzelf zeer nuttig en verhel derend, mag niet de enige zijn. In plaats van alleen te vragen of een verlies van verscheidenheid de facto optreedt bij concentratie, moet men ook de vraag stellen of daardoor de mogelijkheden tot een vergaand ver lies aan verscheidenheid worden ge geven. Als dit inderdaad het geval zou zijn, moet men vooraf structurele voorwaarden scheppen die een derge lijke ontwikkeling tegengaan. Bij de beoordeling van een eventueel verlies in verscheidenheid van dagbladen lijkt het overigens zeer nuttig om niet alleen uit te gaan van de persmedia, maar ook van de vele andere be staande (en nog komende) informa tiemedia. Doet men dit niet, dan loopt men immers t.a.v. het probleem der verscheidenheid het risico dat men oplossingen zoekt voor vraag stukken van gisteren, die morgen ir relevant zijn. De grafische ondernemer moet zich de komende jaren meer in de markt voor grafische produkten verdiepen. Hij moet op dit gebied creatief en in ventief zijn. Niet afwachten tot een klant met bepaalde ideeën bij hem komt, maar vóór zijn klant uitdenken. Dit zei de heer F. G. Meyer, algemeen secretaris van het Koninklijk Neder lands Verbond van Drukkerijen, kort geleden in Den Haag op de Nieuw jaarsreceptie van het Grafisch Studie centrum 's-Gravenhage. Het GSC be staat dit jaar 25 jaar. In zijn referaat behandelde de heer Meyer de rentabiliteitspositie van de grafische industrie. Die is in veel ge vallen zeer onvoldoende. Maar niet alleen in ons land; ook in andere lan den komt de rentabiliteit van de gra fische bedrijven niet mee. De achter gebleven prijzen werken hiertoe mee. De industrie zal een strakkere interne organisatie moeten hanteren. De fors gestegen arbeidskosten vorig jaar gemiddeld ruim 18 pet. nopen daartoe. Elk uur stilstand kost steeds meer geld. De heer Meyer zag ook een ont wikkeling in de richting van een in dividueel gericht beleid. In de gra fische industrie is in het verleden zeer veel verricht door collectiviteit. Maar door de concentratietendens ontstaan grotere en heel grote bedrijven. Die stellen zich anders op ten aanzien van het ondernemen. Daarom moeten ook de middelgrote en kleinere onderne mingen hun beleidslijn duidelijker af palen dan tot nu toe. In dit verband noemde de heer Meyer het verheu gend dat thans via een structuur onderzoek in de grafische industrie gegevens gaan loskomen die van be lang zijn voor de beleidsbepaling van zowel de grafische ondernemers als de grafische werkgevers- en werk nemersorganisaties.

Ariadne nl | 1971 | | page 18