aub. \AZ I ^3. d ffahOnC reclamemarketing aflikt Ariadne 21-1-71 69 Directeur B. van Arem Hoofdredacteur W. B. F. Schaper Redacteuren Richard Janssen, L. J. H. Blankstein, F. C. van Lier, A. H. Hell, H. van Gelder, Loes Renes In Graficus, weekblad voor de grafische industrie, brak hoofdredacteur Frits de Winter onlangs een lans voor de idee dat drukkers, net als uitgevers, aan reclamebureaus korting zouden geven. Nadrukkelijk de integriteit der bureaus bij hun adviezen erkennend, meent de heer De Winter toch dat de belangstelling van de zijde der bureaus voor below the line-activiteiten, waaronder drukwerk, zou toenemen als ook door de drukkers kortingen werden ver leend. Hij voegt aan zijn beschouwingen toe dat die belang stelling reeds een gunstige ontwikkeling te zien geeft, maar wijst er ook op dat bureaumensen en drukkers zo vaak langs elkaar heen praten, doordat men elkanders taal niet voldoende verstaat en doordat men van verschil lende geaardheid is. In een later nummer van Graficus wordt hij op dat punt bijgevallen door een drukker, voor heen werkzaam bij een reclamebureau, die echter van mening is, dat de korting eigenlijk geen rol speelt in de verdeling van de koek, die reclamebudget heet. Zonder ons te willen mengen in de discussie over taak, opvattingen en werkwijze van bureaus en drukkers moet ons van het hart, dat de heer De Winter de klok wil terug zetten, als hij pleit voor een kortingsregeling in het ver keer tussen de bureaus en de drukkers. Daarenboven is zijn voorstel eenvoudigweg onuitvoerbaar. De kortingsregeling tussen uitgevers en bureaus is een uit traditie gegroeide, naar huidige maatstaven onjuiste wijze van beloning van een deel der bureauwerkzaam heden. De leverancier behoort door de klant betaald te worden. Aangezien de adverteerder de klant van het bureau is, behoort hem de rekening gepresenteerd te worden, i egenwoordig is dit ook, zeker bij de goede bureaus, merendeels het geval, zodat de bureaukorting eigenlijk een verrekenpost is geworden op het totale bedrag dat het bureau van de adverteerder moet ontvangen. De voornaam ste oorzaak dat de oude kruiersregeling nog bestaat, die dateert uit de tijd dat de (dag)bladen de vriendschap en de solvabiliteit van de bureaus kochten, is het feit, dat afschaffing terstond duurder adverteren betekent. Men weet het: als er één tarief voor alle advertenties moet zijn, sparen de uitgevers de korting aan de bureaus, maar zij kunnen de prijzen niet met 15 procent verlagen, omdat globaal de helft van alle advertenties zonder bureau bemiddeling wordt geplaatst en dus de volle honderd pro cent oplevert. Invoering van een uniform tarief zou op circa 92 van de huidige 100 komen te liggen, waarna de adver- teerder het bureau de gehele honorering moet betalen en dus op ten minste 92 plus 15 is 107 terecht komt. Vandaar dat de pers vooralsnog blijft opgescheept met een naar tegenwoordige verhoudingen onjuiste toestand. En een onjuiste toestand moet men vooral niet propageren ter verdere toepassing. Daarom menen wij dat de heer De Winter pleit voor het terug zetten van de klok. Een kortingsregeling tussen drukkers en bureaus is ook onuitvoerbaar. Zij is daarom al onuitvoerbaar, omdat kor tingen alleen goed kunnen functioneren bij overzichtelijk heid van prijzen en tarieven. Ondanks de variaties, die bij het adverteren bestaan, is er in dit vlak helderheid wat de kosten betreft. Alle prijzen zijn bij de ROTA gedeponeerd, iedereen weet a priori wat er betaald moet worden voor een plaatsing en iedereen weet welke korting er verleend moet worden. Zulk een standaardisering is in de drukkerswereld on mogelijk, niet alleen door de oneindige verscheidenheid aan drukwerk, maar ook omdat vrijwel elke opdracht onder werp moet zijn van calculatie. Aangenomen voorts, dat bij de tegenwoordige kortings vrije situatie tussen drukkers en bureaus de drukkers een normale winst maken, dan is de veronderstelling gewettigd, dat deze onvoldoende marge laat voor een interessante korting. Hieruit volgt, indien er ooit toch van een standaar disering sprake zou kunnen zijn, dat de prijzen omhoog moeten om aan de bureaus korting van betekenis te kun nen verlenen. Weliswaar behoeft dat niet te zijn met het zelfde percentage als de te verlenen korting, identiek aan de situatie met de uitgevers, omdat slechts een deel voor korting in aanmerking komt, maar aan gedeeltelijke alge mene prijsverhoging valt niet te ontkomen. Zulk een gang van zaken dient niemand. Noch de druk kers, die onnodig duurder worden voor een deel hunner klanten, noch de bureaus die dan weer extra administratie krijgen, noch de adverteerder-bureauklant, die uiteindelijk zijn bureau toch moet betalen wat betaald moet worden en zonder kortingsregeling in de overtuiging kan leven, dat zijn bureau althans van de drukkers geen beloning krijgt. Hetgeen dit zij volledigheidshalve wel gezegd een overtuiging is, die niet altijd door de realiteit gedekt wordt. Hoe men het ook beziet, een systeem waarbij de druk kers aan reclamebureaus korting gaan verlenen, is uit de

Ariadne nl | 1971 | | page 5