van deze candí daten wel heel veel moet ontbreken. De candidaten, die aan deze examens deelnemen, hebben behoudens zeer enkele uitzonderingen, die hun opleiding verkregen op een der genoemde NI. T. S.-en of avondcursussen, hun kennis ver kregen op particuliere cursussen, door privaat- onderwíjs of wel door het volgen van correspon- dentieonderwijs, dan wel door elgen studie. Ondanks het feít, dat op deze wijzen zeker goede krachten zijn gevormd, kan niet worden ontkend, en de ondervinding heeft dit wel overtuigend aan- getoond, dat aan dit onderwijs toch wel vele be- zwaren kleven. Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat bij een schoolopleíding met de overgangsexamens en ook bij de toelating reeds een dusdanige schifting heeft plaats gehad, dat een groot aantal wel moet slagen. Door de zeker toe te juichen splitsing van de examens B. N. A. in een voorbereidend en defi- nitief gedeelte, is in deze richting al wel iets ver- beterd. Behalve dat een groot aantal menschen, die toch eenmaal zullen behooren tot de kringen van de bouwkundige technici, niet voldoende onderwijs kunnen ontvangen, mag niet worden vergeten, dat bovendien hun opleiding toch nog vrij kostbaar moet zijn en veel hooger dan indien voor deze menschen het onderwijs beter aan het doel beant- woordde. Hieruit volgt mede, dat het dringend overweging verdient om na te gaan op welke wijze de op leiding van de hier bedoelde groote groep kan worden verbeterd. Reeds lang is onzerzijds aangedrongen, ook in de Commissie van Onderwijs van den Bond van Neder- landsche Architecten, onder wiens leiding de exa mens voor Bouwkundig Opzichter worden afge- nomen, stappen te doen en invloed uit te gaan oefenen om voor de hier bedoelde groep van aan- staande bouwkundige technici een betere opleiding te verkrijgen. IVIet vertrouwen verwachten wij dat deze Commissie op den duur zich ook niet zal onthouden, daad- w e r k e I ij k op dit gebied haar bemoeiingen uit te strekken. Dat de geringe medewerking van de overheid op dit terrein niet bevorderlijk is aan een streven in die richting, kan niet worden ontkend. Indertijd gaf het Rijk een subsidie tot bestrijding van de kosten van de B. N. A.-examens, terwijl het tevens examinatoren bij deze examens aanwees. Doch de bezuiniging is hierin ook zoo ver gedreven, dat de subsidie sinds verscheidene jaren niet meer wordt verstrekt. Wellicht schuilt hier tevens een oorzaak, welke de hiervoor genoemde Commissie tegenhoudt haar bemoeiingen op dit terrein zonder eenige hulp of steun (zelfs niet van moreelen aard) van het Rijk, verder uit te breiden. Dat de medewerking en steun van de regeering betreffende het zooveel mogelijk geven van een goede vakopleiding aan bouwkundige technici, soms ver is te zoeken, ondanks de uitingen van haré officieele vertegenwoordigers, welke iets anders konden doen verwachten, heeft men nog kort ge- leden kunnen lezen in De Bondsstem, het orgaan van den Nederlandschen Bond van Technici. In een daarin opgenomen artikel werd de aandacht ge- vestigd op den Cursus voor Voortgezet Bouwkun dig Onderwijs aan de School voor Beeldende- Nij- verheids- en Bouwkunst te Arnhem, waarvan reeds sinds lang duidelijk is gebleken dat hij in een groo- te behoefte voorziet, doch waarvan door de wijze waarop de regeering daarmede handelt het verder 22 WAN DSCH I LDERi NG IN DE REMONSTRANTSCH E KERK, DEN HAAG, DOOR Ir. G. HORDIJK. hiervan te peilen, maar aan de na ons komenden) voor het uiterlijk zijn en blijven wij voorshands nog ¡ndividualisten in een meer op het individueel dan het coilectief begrip gerichte samenleving. Zoo blijft de eenheid der kunsten opperste uiting van een voldragen cultuur vooralsnog een vrome wensch, en blijft de wandsohilderkunst, ais typeerend symbooF dezer eenheid, in dezen tijd nog steeds een geisoleerd verschijnsel, dat alleen daar optreedt, verdedigers, apostelen vindt en ook opdrachtgevers waar inderdaad eens een greintje van dat ais voedingsbodem voor deze kunstuiting onontbeerlijke gemeenschapsbesef aanwezig is. De doorsnée-bouwheer, de doorsnée-architect, de doorsnée-schilder ook, zij weten feitelijk met die wandsohilderkunst geen raad, en zij bepalen zich, waar zij er eens een gedachte of een woord aan wijden, tot een pla- tonische liefdesverklaring. Alleen waar gemeenschapsbesef aanwezig is, kan ook een wandsohilderkunst tot waarlijke uiting geraken. En ik geloof dan ook, dat het inderdaad geen toeval is, dat wij in de laatste jaren het vaakst nog opdrachten voor wandschilderingen zagen geven in de Katholieke kerk, die een coilectief geloofsbeginsel ais fundament bezit. Dat het verklaarbaar is, dat de Protestantsche kerken, zelfs in die richtingen, die alien tooi van het kerkgebouw niet a priori verwerpen ais strijdig met den geest van Gods woord, aarzelen. Want waar bij de Protestanten het geloof het sterkst collectivistisch getint is, heerscht ook de oud-vaderlandsche afschuw voor „heidenschen" opschik en ijdelheid en wordt de aloude witkwast in eere gehouden. En de kerkgenootschap- pen, die zich vrijer verhouden tegenover kunstzinnige uitingen, zijn doorgaans de verzamelplaatsen van de meer individualistisch voelenden, de toevluchtsoorden voor

Bouwkundig Weekblad Architectura nl | 1929 | | page 6