HET DAGBLAD: WORDING EN WEZEN Het is goed, het is zelfs uitstekend, dat de heer Heldring zijn lezing heeft gehouden voor een publiek, dat grootendeels uit lèèken bestond, dus voor toehoorders, die over het algemeen niet op de hoogte waren van de wijze, waarop een courant eigenlijk wordt gemaakt, nóch van de moeilijkheden, ja hoofdbrekende problemen, die aan het uit geven en redigeeren ervan verbonden zijn. Hiermee wil ik niet zeggen, dat er geen directeur of redacteur zou zijn, die van deze lezing niets had kunnen leeren. Integendeel De heer Heldring vertelde verscheidene feiten, die zelfs aan ervaren courantenmen- schen niet bekend zullen zijn. Maar als die onwetend willen blijven, moeten ze het zélf weten. Ze doen er niemand kwaad mee. Dat het publiek echter zoo weinig van „de courant" afweet, als gewoonlijk het geval is, dat is eigenlijk wel heel erg. En daarom verheugt het mij, dat de heer Heldring voor leeken heeft gesproken. Want het geldt hier een onderneming, waarbij iedereen, zonder uitzondering, ten nauwste is betrokken. Wiè immers leest er geen courant? En wiè heeft er geen belang bij hetgeen de courant schrijft? Is zij niet „de koningin der aarde", hetgeen zooveel zeggen wil als dat haar invloed zeer groot is? Weten we niet allen, dat zij zelfs oorlogen kan ontketenen of voorkomen? Iedere poging, de courant nader tot het publiek te brengen, moet daarom worden toegejuicht. Niet iedereen is bijvoorbeeld op de hoogte van het verschil, wat de onafhankelijkheid betreft, tusschen de pers in het buitenland en die ten onzent. De heer Heldring toonde dit duidelijk aan. Terwijl in het buitenland de couranten óf afhankelijk zijn van „eco nomische groepen" of geldmannen Hugen- berg, Coty óf van de regeering cen suur in Spanje, Rusland, Italië is de pers ten onzent vrijwel onafhankelijk en kan zij zich gewoonlijk althans vrij uitspreken over zaken van algemeen belang en datgene schrijven of propageeren, wat zij waarachtig voor goed en juist houdt. Daarnaast staat natuurlijk, dat deze onafhankelijkheid het vaak moeilijk maakt, financieel „uit te komen". De courant moet zich dekken. Welke groote uitgaven heeft het dagblad niet te doen voor redacteuren, zijn correspondenten en foto grafen, losse medewerkers, voor telefoon en telegraaf enz.Het totaal ervan zou den leek doen duizelen! Hij zou zich niet kunnen voorstellen, dat dit allemaal voor hem werd uitgegeven. Maar dat is niet het eenige! Er is zooveel, wat hij zich niet zou kunnen indenken! Neem bijvoorbeeld de groote snelheid, waarmee in een dagbladbedrijf moet worden gewerkt en waardoor vergis singen vaak niet zijn te voorkomen. Maar hoe reageert het „publiek" op zoo'n vergis sing? „Wat een stommiteit!" roept de lezer geërgerd uit. Jawel. Laat hij eerst een week gaan zitten op den stoel van den chef redacteur binnenland! Laat hem dan nóg eens oordeelen over een vergissing! Heeft de gemiddelde lezer er een idee van, hoeveel menschen er dagelijks in touw zijn om hem zijn ochtend- en avondnieuws te bezorgen? Weet hij hoeveel handigheid, kennis, routine en moeite daarbij te pas komen? Hij beseft het niet, is alleen boos als „zijn" courant niet het eerst met een nieuwtje komt of als ze tegen zijn opinie durft schrijven! Dan komt hij los met booze brieven of ingezonden stukken! De Neder landsche pers is van alles en iedereen on afhankelijk, behalve van den lezer, die vaak onverdiend op haar smaalt! Dat zou nu zoo erg niet zijn, als er aan den anderen kant wat meer waardeering tegenover stond. Door een lezing als de heer Heldring nu gehouden heeft, moet die waardeering echter wel komen. Het is daarom te hopen, dat zijn voorbeeld navolging zal vinden, dat er meer dergelijke causerieën gehouden zullen worden. Om de omvangrijkheid van den vasten staf en van andere medewerkers van een groot dagblad in Nederland aan te toonen, gaf de heer Heldring een aantal grafieken, die wij later in ons blad hopen af te drukken. 513 Lezing van Ir. Heldring, directeur van het Algemeen Handels blad, voor het Dept. Amsterdam der Nederlandsche Mij. voor Nijverheid en de leden van „De Industrieele Club".

De Reclame nl | 1929 | | page 46