JOUW KOLEN Ik weet niet, ondergrondscke maat, Jan van Amsterdam k weet niet, zwarte kameraad, Hoe jij je wagens kolen wint. Hoe jij je weg kenejen vindt. Ik weet alleen, - en daar komt ket op aan, Jouw kolen vormen mijn kestaan. Toen voor ket eerst op de fakriek, De ketel stoom ging maken. Toen leek de stoomfluit op muziek, Die sckalde van de daken. Jouw kolen kekken dat gedaan, Jouw kolen vormen ons kestaan. En als de sckepen weer gaan varen, Het roest weer van de pijpen gaat. De sckuit zijn kop zet in de karen. Dan is dat jouw werk, kameraad. De kaven kan weer draaien gaan, Jouw kolen vormen ons kestaan. Ik kek als kerel soms gegriend, T oen mijn kindren vergingen van kou. Jij kekt aan mijn peuters de kemel verdiend, En jij stal ket kart van mijn vrouw. Jouw kolen kommen nou weer aan, Jouw kolen vormen ons kestaan. Nou ik van jou lees in de krant, Met al die nullen en die tonnen. Nou weet ik, dat er in ons land Aan onze toekomst is kegonnen. Jij laat ons niet ten onder gaan, Jouw kolen vormen ons kestaan. In godsnaam, kameraad, kou vol, Zonder jouw ondergrondscke kuit, Zonder jouw diepgegraven kol, Gaat k ier de lamp voor eeuwig uit. Jij, met je vreemde, zwarte kaan, Jouw kolen vormen ons kestaan, Ik dank je, verre kameraad, Die zweetend wagens kolen wint. Ik dank je, zuidelijke maat, Die staag zijn weg kenejen vindt. Jij, Ridd er van de Zwarte Vaan, Jij krengt ons weer een krok kestaan,

Meer Baet nl | 1929 | | page 38