Ons zakelijk prestige in Indië MEER BAET WIJ troffen in de avondeditie van het Algemeen Handelsblad dt. 20 Augustus een zeer interessant artikel aan van den Hoefijzer correspondent getiteld ,,De anderen en wij. De Chineezen." Dit artikel is buitengewoon belangrijk voor ieder die belang stelt in Indië, zijn bevolking en den handel met Chineezen. De schrijver geeft absoluut weer de plaats die de Chinees in de Oost-Indische samenleving inneemt, reden waarom wij eiken Nederlandschen Zaken man, hetzij fabrikant of exporteur, sterk aanraden dit artikel eens te lezen en te herlezen. De schrijver van dit artikel is het echter met het oordeel van den schrijver totaal oneens waar deze het dalend prestige van den Europeeschen za kenman in Indië toeschrijft aan de verandering van verkoopsmethoden die in dit artikel gesignaleerd worden. Wij citeeren uit het betreffende artikel het vol gende ,,De onbegrensde concurrentie tusschen de Europee sche handelshuizen onderling doet deze echter nog steeds niet beseffen, in welk een voor hen èn voor het alge- meene prestige van het Westen schadelijke positie zij zich houden. Dit laatste brengt mij tot een ander opmerkelijk en bedenkelijk feit, het gedaalde en nog steeds dalende aan zien van den Europeeschen handelaar bij de Chineezen in de Buitengewesten, als gevolg van de Java-concurrentie. Vroeger, toen eenige bijzonder op de Buitengewesten ingestelde Hollandsche handelshuizen die gebieden be werkten, hadden zij daar, in de voornaamste plaatsen, den eenen of anderen gegoeden en aanzienlijken Chinees (soms ook een Arabier) met wien zij zaken deden. Een of twee maal per jaar reisde een der hoofdvertegenwoordi gers van zoo'n handelshuis deze Chineesche relaties af met wie men op voet van gelijkheid sprak en handelde en aan wie men werkelijk zaken vrienden had. De transacties met de kleine Chineesche kooplui werden verder overgelaten aan deze groote Chineezen. Deze ver houdingen hadden, voor den Europeeschen handel, dit belangrijke dubbele voordeel": men behield zijn prestige tegenover de Chineezen doordien men alleen met de grooten handelde en men was zeker van zijn geld. Want van zulk een Chinees van aanzien wist men, voor hoeveel crediet hij goed was en die Chinees, die zijn afnemers- landgenooten ook weer precies kon taxeeren, wist het van elk hunner evenzeer. Toen is Java zich in den handel der Buitengewesten komen indringen en het heeft dit gedaan niet door nu en dan eens een bezoek van een hoofdvertegenwoordiger maar door een interne bewerking met handelsreizigers, welke, vaak bovendien nog zeer jonge lieden, recht streeks naar de kleine Chineezen moeten gaan om dezen tot het plaatsen van ordertjes te bewegen. Het gevolg is geweest dat ons prestige en het handelscrediet zijn afgebrokkeld. Het handelscrediet, omdat het natuurlijk veel moeilijker is om al die kleine tokohouders op hun juiste crediet- waarde te schatten (uit de verte nog wel!) dan om dat ten aanzien van enkele voorman nen te doen. En ons prestige, omdat die kleine Chineesche luidjes, achtereenvol gens en herhaaldelijk door zooveel vertegenwoordigers van groote Europeesche huizen bezocht gevleid en gesoebat, geen hoog denkbeeld van die huizen kunnen krijgen en daarentegen des te meer van zichzelven. Ik heb deze voorstelling van ons dalende prestige en van het getaande handelscrediet in de Buitengewesten meer dan eenmaal gekregen. Vooral in de Molukken. Maar ik had haar juistheid zelf reeds bij voorbaat kun nen gissen bij mijn eerste bezoek aan Asahan, in Febru ari jl. Toen heb ik het op de „Donggala" zelf waarge nomen dat twee of drie jeugdige reizigers voor groote, bekende handelshuizen, in zulke kleine nesten als La- boean Bilik en Tandjong Tiram, ware wedstrijden hiel den in 't afloopen van de toko-Chineezen. Een van hen liet zelfs 's morgens het ontbijt maar staan om vóór de anderen den wal op te kunnen rennen. Men kan zich misschien voorstellen wat zoo'n Chineesch winkeliertje gegrinnikt zal hebben over al die Hollanders die, min zaam hem den buik bekloppend, hem als hun zaken vriend begroetten en om zijn „gunst en recommanda tie" kwamen vragen. Maar zoo gaan crediet en Euro- peesch prestige naar de maan. De Chineezen, quantitatief een onbeteekenende min derheid in Indië, vormen er, qualitatief, een zeer belang rijke stille macht, voorshands nog slechts economisch. Maar als zij straks in massa worden „gelijkgesteld" met de Europeanen, zal hun machts gevoel en daarmee het gevaar van machts misbruik zeker toenemen. Als de Europeesche handelaars daartegenover zich eens wisten te vermannen tot het opgeven van hun ongebrei delde onderlinge concurrentie, zou het evenwicht allicht wat beter worden bewaard en zou men de gelijkstelling wat geruster kunnen zien komen. Maar daarvoor is het dan ook wel hoog tijd." Alles wat de Hoefijzer-correspondent opmerkt over de moordende Java-concurrentie in de Buiten bezittingen, de vroegere situatie daar in den handel, de intensievere bewerking van den passar door de Europeesche handelshuizen thans, zijn allemaal belangwekkende waarheden die wij gaarne onder schrijven, doch waar door den schrijver hieraan o.a. wordt vastgeknoopt de daling van het aanzien van Het prestige van den Europeeschen zaken man in Indië - en hoe dit te behouden of te verhoogen - daarover verschilt onze mede werker met het Han delsblad van meening 227

Meer Baet nl | 1929 | | page 5