JOHAN THORN PRIKKER 1868 6 Juni 1928 Johan Thorn Prikker werd, nadat hij in zijn geboorte stad, Den Haag, het lager en meer uitgebreid lager onderwijs genoten had, ingeschreven als leerling aan de Academie voor Beeldende Kunsten, alwaar hij van zijn 15de tot zijn 19de jaar bleef. Hij toonde zich een ijverig, begaafd, maar lastig leerling. Autodidact, fijnvoelend, filosofisch aangelegd, met visionnaire scheppingskracht begon hij zijn loopbaan, op negentien jarigen leeftijd, vol illusies. Zijn belangrijk jeugdwerk was voorlooper van beloften voor later, zooals slechts weinigen, v.n. critici, zich toen bewust waren. Het waren kunstuitingen uit wankele tijden nog, doch interessant en der moeite ter bestu deering overwaard. Hij begon zijn loopbaan in de jaren der laatste stuip trekkingen van de eertijds zoo greote „Haagsche School", eens zoo schitterend, toen reeds aan doovend vuur gelijk, op den overgang van het wegstervend oude kunstidée en het nieuwe zich vinnig omhoog heffend kunstgeloof. De looden last van het dogmatische in de kunst verstikte alle vrije kunstuitingen in Holland; men was al aardig bezig, gesteund door de alom heerschende eenzijdige kritiek, om de nieuw opkomende kunstuitingen voor jaren te remmen. Wat echter in Prikkers ziel geborgen lag, stierf gelukkig niet door het drukken der zorgen; toch kon hij dikwijls zeer zwaarmoedig en neerslachtig zijn en blikte dan het liefst in hoogere sferen, om te trachten achter het wezen der dingen te geraken; al zijn denken concen- treerend in een aanschouwen van het Eeuwige, alsof hij op een stem wachtte, die spreken zou van God! Hij bleef echter eenzaam, een dienende; werd niet begrepen en de kritiek bleef hem ongenadig, hem onver biddelijk buiten den kring stellend en hem vogelvrij verklarend, wiens werk als lachsucces of hilariteitsobject beschouwd werd. Als apostel van den „Arbeid", wiens symbool hij zoo schoon in verscheiden vorm heeft weergegeven in: het bloedend doornengekroond hoofd en bloedend doornagelde handen van den Christus, was hij een natuurlijk vijand van het niets-doen; eenzaam werkte hij vlijtig door, den langen en voor hem zoo moeizamen tijd van 1887 tot 1898, waarin hij, zelf lijdend, als symbool van den „Arbeid", zich op allerlei kunstgebied bewegend, allerschoonst en voortreffelijkst werk leverde. In die periode verschenen zijne eerste lijnstudies; hiermee iets geheel nieuws in de kunst brengend, dat vóór hem nog door geen ander in toepas sing was gebracht. Met vaardige hand wist hij het teere wondere lijnenspel weer te geven, waar hem noodig bleek: zijn arbeid nader te definieeren. Doch niet alleen in lijn, maar ook in kleurenspel, van de teerste nuancee ring in tint, symboliseerde hij zijn levensvisie. Later zich geheel toeleggende op de nijverheids-en gemeenschaps kunst, gaat ook daar steeds een wijding uit van zijn werk. In zijn eerste z.g. sgraffito, voorlooper voor later arbeid op dat gebied, gaf hij het eeuwige wisselende leven, gesymboliseerd in lijnen, waartusschen vlakfiguren. Ondanks al zijn werken bleef hij onbegrepen, kreeg hij geen opdrachten en verkocht hij niets. Hij was daarom genoodzaakt ten slotte het aanbod te aanvaarden, om in Kreveld aan de Kunstnijverheidschool als leeraar op te treden. In 1906 volgde zijne benoeming en toen hij alras be merkte, dat hij daar werken zou, zooals hij het gewenscht had, dat hij aan al zijne plannen uitvoering kon geven, dat er dus uitkomst in zicht was, is bij die eerste hoop, het licht gekomen en is het forsch-willen in hem gevaren. Hij voelde zich als gezonden en hij wist zijn weg; maar hij wist ook, dat hij dien nooit als de rechte kon blijven noemen, waar verre horizonten achter opdoemen, zoodat alles weer onvolmaakt werd, wat hij had geschapen. Hij werkte gestaag, ijverig en goed, voelde verwantschap met den Nederrijnlander, was tevreden en gelukkig. Uit dien tijd dagteekenen: zijn schoone kartons in het Kaiser Wilhelm-museum te Krefeld, zijn eerste uitvoe ringen in gebrandschilderd glas in Hagen, zijne voor treffelijke sgraffito's in openbare en particuliere gebouwen. Onderwijl gaf hij ook lessen aan de Kunstnijverheids school te Essen, waardoor hij bekend werd in groot industrieel kringen, die hem menige opdracht hebben gegeven. Hier werd hem toen de opdracht verstrekt, tot het ontwerpen van vijf gebrandschilderde vensters voor de H. Driekoningenkerk te Neuss. Dat het den kunstenaar, die de geheele ruimte als een eenheid ondergaat, geen rust liet, alvorens hij de wanden en dat gedeelte der wand, waardoor het licht valt in zijn kunstuiting meenam, is begrijpelijk. Die vensters zijn niet door hem bewerkt, als: om gaten met kleuren spel te vullen; neen, zijn doel is: tot ons te spreken in alle oprechtheid, met diepe waarachtige stem, in groot gehouden symboiisch-gebeuren. Om zijne vensters goed te kunnen begrijpen, dienen we terug te gaan tot het begin der middeleeuwen, waar we in oud-gotische kathedralen, de prachtige gloed zijner kleuren terugvin den; kleuren, die langzamerhand geheel waren verloren gegaan en sedert de na-gothiek niet meer werden aange bracht. Tot dusverre heeft nog niemand Prikkers hoogte van glaschilderkunst kunnen bereiken. Zijn vijf groote iimiiimn

Wendingen Dutch nl | 1929 | | page 5