POPPEN EN MARIONETTEN VAN GRIETJE KOTS Wanneer men eenmaal de schrijfmachine heeft af- en weggesloten, ter fine van non-activeering, nademaal men dan eindelijk toch tot het inzicht is gekomen, dat het schrijven óver de dingen toch eigenlijk wel een parasiet achtig bedrijf is voor die geest en gemoed heeft om zelf dingen te verzinnen, en handen om zelf dingen te doen, dan moet het wel een sterke verrassing zijn, welke ertoe nopen kan om, neen, nog niet de schrijf machine weer voor den dag te halen, maar de pen dan toch ter hand te nemen om nog eanmaal, schrijvend, de vreugde over die verrassing lucht te geven. Wanneer wij hier schrijven over het werk van Grietje Kots, doen wij dit uitsluitend uit puur pleizier om iets over dit inder daad treffende werk te zeggen, dat is dus louter om de vreugde welke dit werk ons deed. Grietje Kots maakt poppen, er is nu eenmaal geen ander woord voor, uit lapjes vilt en zeemleer, zijde, wol, bandjes en vetertjes, en de een of andere vulling. In zooverre doet zij dus hetzelfde als de modefabrikanten die poppen vervaardigen. Maar het wezen van haar poppen is wel gansch anders. Daar is zelfs reeds het cardinale verschil, dat deze poppen inderdaad een wezen hébben. Men zou zelfs kunnen zeggen, dat al het andere bijzaak, het wezen hoofdzaak is. En dit ware dan weer onjuist omdat de détails zoo sterk medewerken om het wezen vast te leggen. Het karakter, het wezen, van verbeeldingen als De Non en De Dauwdrup worden voor een groot deel bepaald door vorm en val van het kleed, dat toch niet veel anders is dan een zwart zijden lapje, zeer zorgvuldig geschikt en geplooid en gehecht opdat vooral niet door een wat nonchalant verzetten een andere plooienval ontstaat. Want daardoor toch zou het karakter geheel veranderen, en dat mag niet, want, juffrouw Kots neemt geen ge noegen met de verwachting, dat 't wel aardig zal uit vallen, zij zoekt integendeel zeer bewust naar een bepaald beeld, dat zij soms in haar verbeelding alleen, maar vaak ook met behulp van houtskool of potlood op papier, vooraf tot in de onderdeelen precies vaststelt. Intusschen, hoezeer de bekleeding, de drapeering, een voorname factor is bij de vorming van het beeld, het is natuurlijk geenszins de eenige factor. Die drapeering blijft dood en zonder expressie wanneer er niet een kernvorm is, met al de onderdeelen daarvan, met de eigen expressie van houding, gelaat, armen en handen, beenen en voeten, welke tezamen de algemeene expressie, dus het com plete beeld, componeeren. Nu ware het natuurlijk onjuist de karakter-expressie te zoeken in het weergeven van allerlei toevallige trekken, én mismakingen, welke zich bij wat dan toch in laatste instantie ook bij deze kunst het model is, den mensch, óf het dier, voordoen. Deze toch bepalen het wezen, het karakter niet; zij werken integendeel veelal samen om het te maskeeren. Het gaat om, laat ons zeggen, de „naakte waarheid" maar de naakte waarheid is geen ingewikkeld samenstel van bijkomstige détails, de naakte waarheid is een punt, een lijn, een vorm, een verhouding. Welke vaak achter en onder de bijkomstigheden en toevalligheden totaal verscholen liggen. Hoe zeer de ontwerpster dit laatste beseft, blijkt uit gansch andersoortig werk van haar. Zij houdt zich bij tijd en wijle ook bezig met portret-teekenen, en het komt ons voor dat dit voor haar eigenlijke werk een uitnemende en onontbeerlijke studie-arbeid is. Maar behalve deze naturalistische, om voor het gemak dit woord te gebruiken, portretten teekent zij ook een ander soort van portretten, waarin zij op, veelal door den geportretteerde moeilijk te aanvaarden wijze, een beeld geeft van het wezen, zooals zij het ziet natuurlijk, een beeld, dat vaak voor den oppervlakkigen beschouwer zoo weinig „gelijkt", dat hij zelfs geen verwijderd verband vindt. Zoo kan het gebeuren, om maar een verduidelijking te geven met een zelf verzonnen voorbeeld, dat juffrouw Kots van een uiterlijk goedmoedig en minzaam mannetje een portret geeft, dat het beeld lijkt van een venijnig soort van duiveltje, met grijnzend bakkesje, arglistig gekromd rugje en puntige graaiklauwtjes, geteekend zonder veel omslag met wat lijnen en vlakke schaduwfiguren. Ook hier dus zoekt zij onder de toevallige en opzettelijke uiterlijke bemaskering het innerlijke wezen, de naakte waarheid te vinden, waarvan geen ingewikkeld beeld noodig is om haar te verstaan, omdat zij inderdaad zelve een synthese is. Een synthese. Juist. En zooals zij zoekt naar die synthese, en zoekt die synthese te ver beelden met de sumiere middelen, waarom de verbeel ding van een synthese vraagt, in de even genoemde „portretten" zoo zoekt zij naar die synthese, en naar de juiste uitdrukkingswijze, in haar poppen. En zij slaagt daarin in zooverre, dat zij ons haar bedoelingen op over tuigende wijze weet duidelijk te maken, en de ontroering weet te wekken, welke aan deze bedoeling inhaerent is. Zij slaagt daarin verrassend, maar toch nog binnen zekere perken, welken den beschouwer kunnen hinderen. Perken

Wendingen Dutch nl | 1929 | | page 5