DE RUSSISCHE IKONEN Nog voor veertig jaren, werd de Russische ikoonkunst in West-Europa meest veracht ais een dienstbare, onbelang rijke, van het leven vervreemde en in traditioneele vormen verstarde kunst. Ondertusschen is echter, vooral onder invloed van het Impressionisme, een hoe langer hoe hooger stijgende belangstelling in de ikonen wakkergeworden. De Westersche kunstminnaar heeft er, tot zijne verwondering, de realisatie in gevonden van menig oud schoonheids ideaal en de oplossing van menig langgezocht probleem. Wil men de ikonen niet alleen beoordeelen naaropvallende uiterlijke kenmerken, wil men zich niet tevredenstellen met enkel maardeclassificatiedergevolgdeschildersprocedee's en der historische ikoonscholen, wenscht men vooral zich een denkbeeld te vormen van de plaats, die de ikonen innemen in het cultuurleven haars tijds, dan behoort men kenniste nemen van de zeer bijzondere„ikoonphilosophie", die haar opvatting, stijl en techniek bepaalt. De ikoonkunstenaar staat in dienst van het kerkelijk onder richt. Hij heeft tot taak, in zichtbare vormen een boven- aardsche werkelijkheid neerteleggen,gelijkdegodsdienst haar aan zijne geloovigen onderwijst. En opdat de be doelingen zijner kunst overeenstemmen met het voorwerp der godsdienstprediking, zal hij in on-aardsche en sym bolische trekken, in grenstypen en vormschakeeringen, verbeeldingen moeten neerleggen, welke in den geloovige herinneringen of voorgevoelens wekken van een boven zinnelijke, een „hemelsche" wereld van godheid en heiligen. Deze „ikonographie van het bovenzinnelijke" is gegroeid uit de van ongeloofelijk enthousiasme vervulde beelden visie van het Oostersch Christendom. Men vindt er een oude Grieksche gedachte in terug: alle werkelijkedingen in onze zichtbare wereld zijn afbeeldingen van zelfstandig bestaande oer-vormen of prototypen. Er zijn echter oer vormen, die op aarde niet verwerkelijkt zijn. In den schoot der godheid verborgen, in de volheid der Wijsheid ingebed, sluimeren, onuitgevoerd, oneindig vele vóór-vormen en -beelden. Deze ongebaarde vormen, welke voor haar verwerkelijking een volmaakter stof vereischen zouden, dan de wereld inhoudt, kunnen alleen door den begenadigden zienerworden aanschouwd. De wijze bakent er de begrippen van af, de ziener deelt er de visie's van mede, de kunstenaar onderscheidt er de trekken van, temidden van de purperen wolken welke het „centrale goddelijke licht" omgeven. Volgens die leer is de menschelijke vorm niet de nood zakelijke eindterm deraardschescheppingsreeksen. Reeds had de verbeelding der joodsche profeten hoogere aan- zijnsvormen van het geestelijke wezen meenen te onder kennen in den Cherub, waarin de mensch met drie treffende uitdrukkingen van dierlijke geestelijkheid (leeuw, stier en adelaar) is samengesmolten. Wel is Christus, in Zijn tweede natuur, gebonden aan de menschelijke lichaamsvorm, evenals de aartsvaders en heiligen. Maar noch de oud-Christelijke, en evenmin de Russische ikoonverbeelding, hebben de heiligen der kerk bekleed gedacht met normale menschelijke schoonheid. In de 17e eeuw heeft Nikoon's voornaamste tegenstander, abt Awakoem, verzet aangeteekend tegen de schilders, die den Christus afbeelden met een fraai, vol, zinnelijk, rond, bloeiend gelaat. De oude kerk heeft den Christelijken Übermensch vereerd in den asceet, die, in ononderbroken geestelijke oefeningen, in onthouding en eenzaamheid, in overdenking en lijden, zijn geest voorbereidt voor kortstondige versmeltingen met het goddelijk beginsel. Zoo springt de verbeelding van den ikoonschilder dan ook van de menschelijke, naar een hoogere oer-vorm over. Op de ikonen verschijnen de heiligen als een hooger „engelachtig" type. In een bleek, uitgeteerd,,,vergeestelijkt" gelaat lichten vlammende oogen op, in een onafgebroken spanning naar de godheid gericht. Het vermagerde lichaam is door een lange tucht aan den wil onderworpen. Naar een zuivere elegantie worden de volkomen dienstbare ledematen bewogen, in verfijnde gebaren, volgens verheven bedoelingen. Alle zinnelijkheid en alle zwaarte schijnen opgeheven: de te kleine voeten onder de slanke beenen, hebben nauw meer een gewicht te dragen. Ook het goddelijk karakter der Maagd is in een bijzondere ikonographie uitgedrukt. Op de ikonen verschijnt zij, op een onbereikbaren rang, als de eenige vrouw onder enkel mannen. In hooger mate dan zij allen, verpersoonlijkt zij de ontheffing aan alle zinnelijkheid, daar zij alleen baart en niet arbeidt, alleen passief en nooit ingrijpend schept. Terwijl de andere heiligen de goddelijke vonk, die in hen gelegd, is moeten uitstralen als een bundel handelingen, door den nevel der stoffelijke wereld, staat de Heilige Maagd volmaakt stil in het middenpunt aller menschelijke bedoelingen, voorbeeld zonder daad, voortreffelijk zonder verdienste. Met zóó lichte banden is zij aan de materie gebonden, dat zij schijnt, nauwelijks uit het Pleroma in de wereld te zijn uitgetreden. De trekken van haar gelaat worden niet opgevat als voer tuigen van gevoelens maar als omtrekken der gelaats- architectoniek: onder de (naar menschelijke maat)te lange en te dunne neusligtdekeurigearabeskderaristocratische lippen. De te groote, opmerkzame oogen, die al het leed der wereld schijnen op te drinken, glanzen uit met den gloed eener twijfellooze overtuiging, zonder vrees voor logenstraffing of weerstand. Naast de door de Russische vroomheid diep vereerde en hartstochtelijk beminde Moeder, wordt het Kind bijna iets bijkomstigs. De ikoonschilder ziet zijne heiligen niet temidden van aardsche tafereelen, maar in de omraming van hemelsche landschappen. De vloeden en weiden, de rotsen en boomen, de wolken en gebouwen, worden naar „byzantijnsche" symboliek, afgebeeld met gedurfde, nu strakke dan grillige

Wendingen Dutch nl | 1929 | | page 5